Marit is oké - Verhalen van Marit die plotseling wilde Leven

Een ode aan Bob

‘Hoelang kennen wij elkaar nu eigenlijk?’ Bob stelt deze vraag terwijl hij met één hand het stuur vasthoudt, en met de andere in mijn handknijpt. We rijden gestaag over de M6, de weg die het oosten van Ierland met het westen verbindt. Hij rijdt altijd te hard. Ik ken hem niet anders dan dat hij 30%, 40% harder rijdt dan is toegestaan, als het niet meer is. We lijken op elkaar hierin. Auto’s worden ingehaald, terwijl een irritante bliep telkens bevestigt dat hij zijn richtingsaanwijzer niet aandoet met het wisselen van baan. Bob weigert mijn hand los te laten, dus nemen we het piepje voor lief. ‘Dat moet nu vier jaar zijn, het jaar dat ik voor het eerst opgenomen werd, denk ik?’ antwoord ik. Voor tien jaar waren het de diagnoses, GGZ-instellingen, crisissen en opnames de referenties geweest, die een benchmark maakten voor waar ik stond in de tijd. ‘Best gek hè, dat dit je ijkpunten waren voor tien jaar.’ Het is even stil, hij knijpt nog even in m’n hand en vervolgt zijn verhaal met een optimistische toon: ‘Dat gaat nu dus gewoon veranderen, hè? Straks kun je gewoon dingen zeggen als “toen die tijd dat we samen in Ierland waren.”’


Toen ik Bob voor het eerst zag, vier jaar geleden, praatten we al een aantal maanden met elkaar. Van afspreken kwam het niet, het was door duizend-en-één redenen onmogelijk een afspraak te krijgen: de ene keer cancelde ik, de andere keer hij weer en vice versa. Alsof het universum zei: nee, nu nog niet. Toen het er eindelijk van kwam opende ik de voordeur van mijn huis en keek ik naar een lange man. Hijdroeg eendonkergrijzejas die totzijnbovenbenenrijkte.Zijn haar zat ineen knot,wat hij inmiddels altijd los draagt. Eenbrede glimlachverwelkomde mijn bliken het eerste wathijtegen mijzei was: ‘Mag ik je eerst minstens even een knuffel geven?’Op dat momentwistiknog nietbijsterveel overhem,maar wat ik wel wist is dat ik een verdomd knappe meneer voor mijn neus had staan met de vriendelijkste ogen op aarde en met een verpletterend charisma.




In de jaren die volgden na die eerste ontmoeting zijn hij en ik tegelijkertijd heel langzaam en heel hard gegaan. Waar vriendschap de basis was, hebben we in vier jaar tijd allewindrichtingenbezeild:noord, oost, zuid en west.Bob werd mijn maatje, mijn steun. Ik werd voor hem een klankbord, een sparringpartner. Intellect en verwondering verbond ons, waarin we beiden snakten naar leven in vrijheid. Bob leerde mij dat het leven een speeltuin was, waar je elke dag kunt kiezen voor spelen. Vanuit vriendschap groeide een partnerschap, en uiteindelijk ook meer dan dat.Alles werd uitgediept en alles tussen ons werd kwetsbaarder en sterker,zwaarderen luchtiger, toegankelijker en exclusiever. Alle dualiteit werdin onze relaties omarmt. Ook sprongen we in zeven sloten tegelijkertijd. Een complex polyamoureus leven, een snel afnemende mentale gezondheid en een gebrek aan helder perspectief, leidde ertoe dat we vorig jaar heftig klapten. Dat was ons dieptepunt. Maar het heeft ook geleid tot ons hoogtepunt. Het was voor mij de laatste dominosteen die omviel, wat mij de wake-up call heeft gegeven die mij heeft gered. Voor hem was het de onvermijdelijke eye-opener die nodig was om zijn eigen normen en waarden weer op de rit te krijgen.



En ondanks dat ik in de afgelopen drie maanden als vrijgezelle, onverschrokken en vogelvrije wereldreiziger écht los, onafhankelijk en vrij was van alles en iedereen, koos ik er toch voor om altijd een beetje verbonden te blijven aan Bob. En dat deed soms zeer, heeft de nodige tranen gebracht en heeft me doen twijfelen aan zoveel. Ook heelde het juist iets in mij en heeft het me doen realiseren dat liefde het mooiste is als het onzelfzuchtig is. En waarom deed ik dat? Omdat ik te allen uitga van het goede van de mens. Omdat ik hoop heb – omdat ik vertrouwen heb. Omdat liefde iets verschrikkelijks, angstaanjagends en tegelijkertijd iets geweldigs en sacraals is. En alleen daarom is liefde niet iets wat je alleen moet willen doen. Aan Bob gebonden, hoe minimaal dat ook is, voel ik mij vrij. En meer woorden ga ik er niet meer aan vuilmaken.



31 maart – 2 april

Want nu rijden we – 23 weken later – als vrienden, maatjes, geliefden, en ook weer formeel als partners, door het groenste land van Europa. En ik had hier met niemand anders willen zijn. We gaan hier iets met de hoofdletter H Herschrijven namelijk. We komen ’s avonds laat aan bij de AirBnB van Alex: een glazen koepeltent midden in de Burren, een spectaculair kalksteengebied dat lijkt op een maanlandschap. Alex heeft een vuurkorf voor ons aangestoken, voor onze tent. We drinken iets te gemakkelijk een fles rode wijn leeg terwijl we samen naar Orion kijken, ons sterrenbeeld. Die avond liggen we vroeg in bed, en waar we die hele nacht naar de onbewolkte sterrenhemel zouden kunnen kijken, kijken we die nacht eigenlijk alleen maar in elkaars ogen. Want elkaar drie maanden niet aanraken, ruiken, proeven of zien, is lang. Verkies je op dat moment dan de sterren, of toch elkaars ogen?


Ik vertelde Bob ooit dat ik naar de Aran Islands wil, een eilandengroepje waar ik tien jaar geleden ook ben geweest met mijn ouders. Ondanks dat het destijds prachtig was om over het kleine eiland Inisheer te lopen, herinner ik me vooral dat ik kotsmisselijk was door de boottocht en dat mijn sokken doorweekt waren door de hevige schommelingen van de boot. Bob, gentlemen die hij is, gaf mij een mogelijkheid op een betere ervaring cadeau. In een piepklein vliegtuigje waar je met maximaal zes man in kunt, vliegen we op de tweede dag van onze reis daarom naar Inishmore. Waar de boottocht tien jaar terug een misselijkmakend uur duurde, duurt deze vlucht acht minuten. Ik ben op veel plekken in Europa geweest, dat kan ik met zelfvertrouwen zeggen. Ook heb ik bijzondere dingen gezien. Inishmore, daarentegen, is het meest spectaculaire natuurverschijnsel wat ik ooit heb mogen zien. Een coulisselandschap wordt afgewisseld door ruige kalkstenen kliffen. Overal zie je stenen omheiningen met grazende schapen en koeien, maar ook forten en kerken uit de ijzertijd duiken om de haverklap op. We huren elektrische fietsen, stoppen elke paar honderd meter om foto’s te maken en gaan zo het hele eiland over.


Die avond eten we in Galway. Door de gebeurtenissen van afgelopen maand voel ik me niet op mijn gemak. Waar ik drie weken geleden gestrest door deze straten liep, proberen we er nu toch wat van te maken. Na het eten van een fantastische pizza (nr. 15 in de World Best Pizza-list), besluiten we mijn fysieke en mentale niet meer te teisteren en terug te keren naar de koepeltent. Hoewel het de hele dag zo goed als onbewolkt is geweest, hebben we vannacht een deksel van wolken boven ons hangen. Wederom geen sterren, daarom maar opnieuw in elkaars ogen kijken.


2 april – 4 april

Ik heb Joey beloofd een paar nieuwe planken langs te brengen als ik weer in Ierland zou zijn. Bob en ik rijden naar de eerste beste hardware-store, laden twee nieuwe stofdorpels in en rijden naar Mountshannon. We worden verwelkomd door Joey en tot mijn verrassing ook door mijn mede-WorkAway’er Glenn: hij heeft besloten langer bij Joey te blijven. Het is leuk om Bob een kijkje te geven in waar ik een tijdje heb gewoond. Je stuurt zo nu en dan wel een fotootje, maar het doet toch geen recht aan ‘the real deal’. Na een kleine rondleiding over Joey’s ‘perimeters’ vertrekken Bob en ik om door te rijden naar onze tweede bestemming: Ballyduff. Eenmaal aangekomen, honderd kilometer ten zuiden van Galway, slapen we in een oude boerderij. We worden verwelkomd door Liz en John, een Brits stel die hier nu dertig jaar wonen. Ze runnen een airbnb en hebben een biologisch boerderijwinkeltje gevuld met hun eigen producten. Ons huisje heeft een enorm Engels hemelbed waar je elkaar makkelijk in kunt verliezen ’s nachts. Ook hebben we een bad op pootjes en staat het hele huis vol met manshoge spiegels.


We ontbijten genoeglijk aan een vier-meter-lange tafel in een oude boerderijkeuken van Liz en John. Er is niemand te bekennen op de vroege ochtend. We praten, verbinden en grappen terwijl we een zalig ontbijt nuttigen. Na het verorberen van huisgemaakt soda-bread, verse jus-d’orange en een portie fruit, maak ik een opmerking naar Bob. Een brutale, uitdagende, weet ik me te herinneren. Ik maak oogcontact met hem en zie een blik die ik drie maanden niet heb gezien, maar die ik maar al te goed ken. God, dit heb ik gemist. Ik grijns, kijk snel om me heen om mijn vluchtopties te bekijken en sta dan vlug op. It’s game on. Bob is sterker dan ik, maar niet sneller. Alleen zit de enige mogelijkheid tot mijn ontsnapping - de deur - achter hem, dus ben ik in het nadeel. Ik probeer weg te rennen, maar Bob komt al snel achter me aan. Ik trek de stoelen alle kanten uit om de lange tafel heel om een barricade te maken. Na een kat-en-muisspel met een paar rondjes om en op mijn geïmproviseerde parkour bereik ik de deur. Ik ren door de gang, onze kamer in en bedenk me dan dat ik de verkeerde afslag heb genomen en wederom geen kant op kan. Shit, wint hij weer.


De Ring of Kerry is een toeristische route die door een ruig landschap loopt. Na vijf kilometer zijn we er klaar mee: er zijn te veel toeristen die om de haverklap stoppen, dus besluiten we een alternatieve route te nemen. In plaats van de Kerry Way te rijden, gaan we er dwars doorheen. Kruip-door, sluip-door, rijden we kronkelweggetjes af. We belanden in een soort kabouterland met kabbelende beekjes, kleine watervalletjes en verstilde bruggen. Waar we eerst elke vijftig meter een horde Duitsers moesten ontwijken, zijn we de hele middag eigenlijk al alleen. We zijn echt samen die middag. Waar we de eerste dagen uren tekortkwamen in de dag om bij te praten, ligt onze binding nu in de verstilling.



4 april – 6 april

Onze reis eindigt in Dublin. We hebben een hotel midden in het hartje van Dublin, in Temple Bar, een wijk met veel pubs en clubs. Ik ben niet zo van de steden, maar ik wil Dublin wel van m’n lijstje af kunnen strepen. Waar Bob mij twee weken terug in detail door de stad leidde, lopen we nu dezelfde route opnieuw. Ik laat hem zien waar ik destijds wat dacht, waar ik wat ervaarde en wat ik toen voelde. Ik neem hem mee naar Trinity College, een bibliotheek met meer dan 4,5 miljoen werken. Waar we beiden echter heel veel boeken verwachtten, hebben we er echter maar een paar gezien: de bibliotheek wordt gerestaureerd en elk boek wordt gedigitaliseerd. Toch gek, om een van ’s werelds beroemdste bibliotheken te bezoeken en vervolgens er amper boeken in te vinden.


We eten decadent en uitgebreid, we drinken koffie en cocktails en waar Bob de tequila laat staan, dompel ik mijzelf erin onder (begin de dag met tequila, dat haalt het randje er wat van af). We vergeten alles wat niet te maken heeft met ons. We hebben het niet over moeilijke onderwerpen, we hebben het niet over de toekomst en we hebben het ook niet over hoe-straks-verder. We zijn alleen even hier-en-nu.



Met vier uur vertraging komen we aan op Schiphol Airport. De realiteit kwam weer om de hoek kijken tijdens de vlucht: ik ga straks weer gewoon op reis, onze levens zijn momenteel niet ideaal afgestemd op elkaar en het leven gaat gewoonweg door. In stilte nemen we de laatste trein naar Raalte, naar het huis wat vroeger ons huis is geweest. Sebastiaan was zo lief om dit weekend zijn huis, mijn vroegere huis, even aan ons te geven dit weekend. Bob en ik lopen de kamers door en komen tot de conclusie dat het niet meer ons huis is. Dat is niet erg. Het is goed zo. Wanneer we voor mijn oude slaapkamerdeur staan, druk ik Bob de sleutel in zijn handen. Drie maanden lang was deze deur op slot, dus weet ik dat deze kamer onveranderd zal zijn. We openen de deur, gaan liggen in ons bed en sluiten onze ogen en onze week samen af, thuis.


Bien à toi,

Marit

Reacties

Reacties

Ro

Heerlijk om te lezen! Lang leve de liefde! ❤️

Bert

Inderdaad een prachtig geschreven verhaal. ben benieuwd waar je nu naar toe gaat. we horen het wel

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!